
Hij geloofde in een universum met een bestemming. In een chaos met doel. Zoals een kattenkreng dat op de bodem van de afvalcontainer langzaam verandert in een wriemelende hoop maden, toch van een of ander plan getuigt. Geen metafysica weliswaar, geen sublimatie, maar toch: een plan.
Het was weer eens zomer geworden. Ook dat leek een onwrikbaar gevolg. Na lente kwam zomer, en zelfs al was die lente warmer geweest dan de gemiddelde zomer van de voorbije vijf jaar, toch bleef het eerste lente heten en het tweede zomer. Het was ondenkbaar dat door de opwarming van de aarde de seizoenen hun namen zouden veranderen. Of inleveren. Dat bijvoorbeeld de lente zou opgaan in de zomer. Dat was ondenkbaar.
‘Als mijn energiefactuur maar zakt,’ zei de krantenboer. ‘Laat maar opwarmen. Desnoods smelt die ijskap een centimeter.’
‘Dan loopt Nederland onder, en Bangladesh,’ zei zijn zoontje, dat achter hem een stapel Story’s opensneed.
‘Tja,’ zei de krantenboer.





